New York City - International City Making

New York City als spiegel voor de Nederlandse praktijk van gebiedsontwikkeling

Zo af en toe is het nuttig om de Nederlandse bodem te verlaten en ergens anders een kijkje te nemen: hoe pakken ze daar de problemen aan? Wat kunnen we bijvoorbeeld leren van een stad als New York City als het gaat om gebiedsontwikkeling? Deze vraag staat centraal in de module International Urban Development van de Master City Developer.

Instrumenteel en reflectief leren

Modulecoördinator Wouter Jan Verheul van de TU Delft legt tijdens het introductiecollege uit dat je op twee manieren kunt leren van buitenlandse cases. De eerste manier duidt hij aan met instrumenteel leren: je kunt onderzoeken of het mogelijk is om instrumenten die in een ander land al dan niet met succes zijn toegepast, ook in Nederland toepasbaar zijn. Vaak kom je dan tot de ontdekking dat de politieke, bestuurlijke, economische en/of juridische verschillen tussen het land in kwestie en Nederland té groot zijn. Soms kan dat worden opgelost door verandering in wetgeving zoals bij Business Improvement Districts (BID) – in Nederland sinds enkele jaren bekend als Bedrijven Investeringszones (BIZ). In andere gevallen ligt dat echter gecompliceerder. Zo vereist toepassing van het instrument Tax Increment Financing (het financieren van ontwikkeling uit toekomstige stijgingen van belastinginkomsten) een radicale verandering in ons belastingsstelsel (lees: meer lokale heffingen).

Een andere manier om te leren van buitenlandse ervaringen is echter minstens zo interessant: reflectief leren. De case study fungeert in dit geval als een soort spiegel voor de eigen ontwikkelpraktijk. Door te begrijpen hoe anderen een probleem aanpakken in een andere context, krijg je een dieper en rijker inzicht in hoe je zelf – vaak onbewust – met dat zelfde probleem omgaat. Dit reflectief leren kan uiteindelijk ook bijdragen aan radicaal nieuwe oplossingen.

Investeren in de openbare ruimte

Een concreet voorbeeld: zowel in Nederland als in de VS staat men de maatschappij voor de uitdaging om de kwaliteit van de openbare ruimte in steden op peil te houden, terwijl beschikbare budgetten (met name vanuit de overheid) onder druk staan.

Een bezoek aan New York leert je al snel dat de Amerikanen dit probleem aanpakken via de private sector. Bijvoorbeeld door het instellen van zogeheten Privately Owned Public Spaces (POPS) waarbij een publiek toegankelijk gebied beheerd wordt door een private partij. Ook zijn er constructies waarbij de gemeenschap het beheer op zich neemt, met de Highline als waarschijnlijk het meest bekende voorbeeld in New York.

Vanuit het instrumenteel leren luidt de vraag of deze constructies ook in Nederland toepasbaar zijn: hoe zit het bijvoorbeeld met de juridische kaders? En is er wel voldoende bereidheid bij private partijen om deze rol op zich te nemen? Of misschien nog wel belangrijker: zijn Nederlandse overheden bereid deze rol af te staan?

Door deze vragen te stellen, komen we automatisch in het domein van reflectief leren. De Amerikaanse context wijkt sterk af van de Nederlandse. In Nederland is de openbare ruimte traditioneel het domein van de overheid. Ieder voorstel om de private sector meer te betrekken bij de inrichting van de openbare ruimte wordt met enige angst ontvangen: angst voor privatisering en commercialisering. Met publiek belang bedoelen we het belang van de overheid die geacht wordt te handelen in het belang van alle bewoners en bedrijven. In New York, zo leren we, liggen de zaken eerder andersom. Het publiek belang wordt daar juist gediend door de rol van de overheid zo veel mogelijk te beperken. Iedere inmenging van de overheid – bijvoorbeeld via ruimtelijke planning – is een beperking van de vrijheid en in zekere zin een inbreuk op het eigendomsrecht van private partijen.

Stof tot nadenken

Kortom: Amerikanen denken fundamenteel anders over gebiedsontwikkeling (en overigens over tal van andere zaken) dan we in Nederland gewend zijn. Ze komen tot andere oplossingen voor dezelfde problemen. Oplossingen die we in eerste instantie vaak bestempelen als onwenselijk of onhaalbaar. Maar ook oplossingen die ons aan het denken kunnen zetten. Dient ons ruimtelijk beleid daadwerkelijk het belang van de burger? Is privaat beheer van publieke ruimte niet veel efficiënter? En is het onderscheid tussen publiek en privaat nog wel zo relevant? Ik zou zeggen “Food for thought!”.

Alexander Otgaar


Stadseconoom Erasmus Universiteit Rotterdam
Programmamanager MCD

Alexander Otgaar