Home » Actueel » Seminars » Seminar april 2010

Nieuwe strategieën voor stedelijke gebiedsontwikkeling: “Radical new thinking has to start somewhere”

MCD Seminar te Madurodam, 22 april 2010

De komende twee jaar organiseert de Master City Developer (MCD) opleiding een reeks seminars waarin op zoek wordt gegaan naar nieuwe strategieën voor gebiedsontwikkeling. Aanleiding voor deze reeks is de toenemende complexiteit in de ontwikkeling van stedelijke gebieden. Oorzaken van deze complexiteit liggen primair in financieel-economische en demografische veranderingen, alsook in doorgaande rolverschuivingen tussen overheid, markt en burger in (het leiding geven aan) de ontwikkeling van steden. Vele professionals zien door deze veranderingen en verschuivingen de noodzaak tot vernieuwing van hun vak; zij zoeken naar nieuwe strategieën voor stedelijke gebiedsontwikkeling. De MCD denkt met hen mee door seminars te organiseren die samen een zoektocht naar vernieuwingen in de stedelijke gebiedsontwikkelingspraktijk vormen. De thema’s van de volgende drie seminars in de reeks zijn ‘de nieuwe investeringskracht’, ‘de nieuwe plannen’ en ‘de nieuwe coalities’. De MCD opleiding wil hiermee niet afwachten, maar voorop lopen in de vernieuwing van het vakgebied. Op het seminar van 22 april 2010 in Madurodam waren zo’n 100 professionals in gebiedsontwikkeling aanwezig.

Opening Seminarreeks

 Dagvoorzitter en hoogleraar Hans de Jonge wees in zijn opening op de huidige vertrouwenscrisis in gebiedsontwikkeling. Publieke partijen hebben een tekort aan middelen en private partijen binden zich niet meer voor de lange termijn aan projecten. Tijdens dit seminar wordt daarom op zoek gegaan naar compleet nieuwe manieren van werken; manieren van werken die uit onverwachte en compleet verschillende perspectieven kunnen voortkomen. Voordat de vier sprekers van de middag het woord kregen, gaf Geurt van Randeraat (opleidingsdirecteur van de MCD) het startschot voor de seminarreeks. De reeks is georganiseerd met het oog op kennisontwikkeling, dat naast het opleiden van nieuwe professionals in gebiedsontwikkeling een pijler van MCD is. Van Randeraat stelt dat de komende twee jaar ‘door een open procesonderzoek met partners in gebiedsontwikkeling co-creatie van ideeën voor het vak kan plaatsvinden.’ Van Randeraat licht toe dat grote veranderingen worden ervaren in de praktijk van gebiedsontwikkeling, zoals faillissementen, terugtredende investeerders en bevolkingskrimp. De praktijk slaagt er daarbij niet in om tegemoet te komen aan de vraag van de markt en bottom-up initiatieven. De zoektocht van de MCD heeft daarom betrekking op benodigde attitudes en vaardigheden, op nieuwe samenwerkingsverbanden en investeringsmodellen, en op de flexibiliteit van plannen. Oplossingen lijken daar te liggen waar een balans wordt gevonden tussen een top-down en bottum-up aanpak waarbij de kwaliteiten van de stad centraal staan.

Mentaliteitsverandering

 De eerste spreker, Kristian Koreman (Bureau ZUS namens IABR) stelde de positie van architecten in de stedelijke praktijk aan de orde. Koreman vindt dat er een mentaliteitsverandering onder architecten nodig is. In plaats van het afwachten van opdrachten moeten architecten actief deelnemen aan de ontwikkeling van ruimtelijke plannen. Bureau ZUS pleit ook voor een nieuwe ‘politics of space’, waarin de verhoudingen tussen overheid, markt en burger weer werkbaar en minder ‘radicaal’ worden. Dit zijn tevens de hoofdthema’s van het boek Re-Public, waarin studies zijn gedaan naar de publieke ruimte in uiteenlopende Europese steden. In de zogenaamde European Public Index zijn Dublin en Tirana uitersten gebleken. De index onderscheidt de mate van publieke/private openbare ruimte en of de economische of sociale vraag centraal staat. Volgens Koreman zijn peilers in de stedelijke ontwikkeling enerzijds het centraal stellen van het publieke belang en anderzijds het voldoende ruimte laten aan marktinitiatieven, o.a. door middel van het beperken van regelgeving. Tekenend voor de politiek-maatschappelijke betrokkenheid van Bureau ZUS is het behoud van het Schieblock in het Rotterdamse stationsgebied, waarin het bureau zelf is gehuisvest. De door de gemeente voorgestelde sloop en het grote voorgestelde bouwprogramma voor dit gebied gaan volgens Koreman voorbij aan de hoge kantorenleegstand. Daarom pleit bureau ZUS voor een verandering van onrealistische ‘instant stedenbouw’ naar geleidelijke stedelijke transformatie, die uitgaat van het bestaande. Tijd is volgens Koreman de ware strategische component.

Levensverhalen

 Kunstenaar Lino Hellings (oprichter P.A.P.A.: Participating Artists’ Press Agency) vertelde vervolgens over haar onorthodoxe aanpak van stedelijke vraagstukken en haar ontdekkingen vanuit haar zoektocht naar informele economieën en kleinschalige netwerken. In Hellings’ werkwijze lopen onderzoek en ontwerp in elkaar over. In haar projecten wordt zowel de fysieke als de virtuele publieke ruimte ingezet.

Door haar onorthodoxe aanpak worden in essentie ideeën gegenereerd voor stedelijke ontwikkeling. Eén van haar projecten, Wild Walks (2004), maakt duidelijk hoeveel levensverhalen zich afspelen in de openbare ruimte rondom het metrostation Bijlmer in Amsterdam Zuidoost. De routes van uiteenlopende gebruikers van het gebied, zoals een dakloze, een immigrant, en een jongere, zijn nu door middel van audio-tours door iedereen te volgen.
In Hellings’ projecten zijn steeds 3 fasen te onderscheiden: (1) een start zonder vastomlijnde opgave, (2) het geleidelijk gaan onderscheiden van patronen en (3) de uitvoering. Het onderzoeksproces en het uiteindelijke project vormen één geheel. P.A.P.A. deed onder andere onderzoek naar het publieke leven en informele economieën wereldwijd, door een netwerk van plaatselijke kunstenaars/fotografen. Hellings stelt dat er van beide kanten te leren is van ‘zelfregulerende systemen’ in bijvoorbeeld Lagos en Sao Paulo enerzijds en de (over)georganiseerde Nederlandse steden anderzijds. Hans de Jonge concludeert dat ‘participating artistic research’ van P.A.P.A. een les is voor actoren in gebiedsontwikkeling om de stad van onderaf te ‘lezen’. De aanpak van Hellings legt patronen en potenties in een stedelijk gebied bloot die in de huidige praktijk veelal onontdekt blijven.

Urban Farming en Collaborative Planning

 In het tweede deel van het seminar kwamen twee internationale sprekers aan het woord. Gary Wozniak (directeur SHAR foundation Detroit) ging in op ‘urban farming’ en ‘collaborative planning’ in de stad Detroit. SHAR gebruikt deze strategieën voor een vernieuwende wijkontwikkelingsaanpak in een stad met een krimpende bevolking. Net als Koreman en Hellings ziet Wozniak een kloof tussen beeldvorming over het leven in een gebied van ‘bovenaf’ en de perceptie en de behoeften van de gebruikers. De media tonen slechts een leeg, geruïneerd Detroit en nooit het herontwikkelde rivierfront en de hoogwaardige architectuur die Detroit ook karakteriseren. Wozniak, die een financiële achtergrond heeft, stelt dat mensen uit het gebied de echte ‘assets’ zijn; het draait om hun kwaliteit van leven. Centraal in zijn Recovery Park project staat dan ook het betrekken van bewoners en het creëren van werkgelegenheid.
Het plangebied van Recovery Park omvat 4000 hectare van Detroit die gekenmerkt wordt door een hoge werkeloosheid en leegloop. Ten opzichte van 1990 is het aantal inwoners met 30% is afgenomen tot circa 4 inwoners per hectare en de verwachting is dat deze krimp doorzet. Door de inspanning van de SHAR Foundation heeft de afgelopen jaren een succesvolle herontwikkeling plaatsgevonden door een gemeenschappelijke inzet op nieuwe, creatieve invullingen. Het programma richt zich op ‘urban agriculture’ als nieuw grondgebruik, maar er zijn ook culturele evenementen ingebracht. Om dit project mogelijk te maken zijn overheden en private stichtingen bij de plannen betrokken en is hen om steun gevraagd; eerst door het inbrengen van grond en daarna door financieel een aantal concrete, breed gedragen projecten te steunen. Hoewel de stedelijke context sterk afwijkt van de Nederlandse qua omvang, dichtheid en cultuur, ziet Wozniak toch lessen voor de Nederlandse praktijk: bij krimp gaat het om ‘out of the box’-denken (zoals over het financieel rendabel gebleken ‘urban farming’) en het betrekken van de gemeenschap bij het maken van plannen voor de stad.

Regionale aanpak

 Het verhaal van Detroit werd opgevolgd door Michael Schwarze-Rodrian (directeur Emscherpark Ruhr). Vanuit zijn twintig jaar lange ervaring vertelde hij gepassioneerd over nieuwe strategieën in de herontwikkeling van het Emscherpark in het Ruhrgebied. Dit regionale, gemeente-overschrijdende park is een grootschalig voorbeeld van het geven van een nieuwe betekenis aan het industriële landschap en zijn erfgoed. Ook hier wordt gesproken van een mentaliteitsverandering, omdat twintig jaar geleden de herontwikkeling van het landschap nog voor onmogelijk werd gehouden. De realiteit in dit Ruhrgebied is echter dat de laatste overgebleven mijnindustrie in 2018 ophoudt te bestaan. Waar voorheen tot die tijd gewacht zou worden met initiatieven voor herontwikkeling, wordt er nu door bestuurders en planners actief op dit proces geanticipeerd. Alle gemeenten zijn bij de herontwikkeling betrokken.
Met het industriële erfgoed is in het Emscherpark omgegaan als met een kasteel. Architecten en lichtkunstenaars hebben een nieuwe betekenis gegeven aan de industriële gebouwen. Het regionale park fungeert nu als een basis voor economische ontwikkelingen in de bestaande steden en is een voorbeeld van interlokale samenwerking. Schwarze-Rodrian concludeert dat dit project enorm heeft bijgedragen aan kennis over stedelijke gebiedsontwikkeling en het transformeren van haar praktijk in het Ruhrgebied en (via bezoek aan het park door professionals uit de hele wereld) ver daarbuiten.

Conclusies

Het seminar sloot af met een kort debat, waarin de vier sprekers en Geurt van Randeraat in gesprek gingen met de zaal. Schwarze-Rodrian gaf aan dat in de afgelopen twintig jaar de besluitvorming in gebiedsontwikkeling substantieel is veranderd. Waar voorheen top-down gestuurd werd, is er nu een praktijk die beleidsplannen en kleine initiatieven bij elkaar brengt. Van Randeraat was onder de indruk van de persoonlijke, lange termijn verbintenis van de sprekers aan een project. Hellings benadrukt het belang hiervan: een idee uitwerken kost drie jaar, maar het kost wel zeven jaar voordat andere mensen jouw idee ook herkennen en tot een succes maken. Op de vraag hoe je mensen voor een lange termijn aan een project committeert antwoordde Wozniak dat iedere gebiedsvisie gaandeweg steeds moet worden verrijkt en dat je zelf bovenal enthousiast moet blijven. Schwarze-Rodrian voegde hieraan toe dat je als trekker zowel een koppige als flexibele houding nodig hebt, omdat velen zullen zeggen dat wat je uiteindelijk wilt bereiken onmogelijk is. Van Randeraat concludeert dat we de condities van gebiedsontwikkeling nooit compleet onder controle hebben en we dat we op de lange termijn dus niet top-down kunnen sturen. Organiserend vermogen zit besloten in de mensen die aan een project werken. We hebben te maken derhalve met een consensus-zoekende praktijk, waarin het gaat om overtuigen en betrokkenen ‘mee’ krijgen. Nieuwe strategieën zijn geen kwestie van kiezen tussen een top-down of bottom-up aanpak: we moeten elk kansrijk initiatief gaandeweg inpassen in bestaande visies en plannen. De sprekers hebben hier uiteenlopende maar succesvolle voorbeelden van gegeven.

Het volgende seminar uit de MCD-reeks ‘Nieuwe strategieën voor gebiedsontwikkeling’ staat gepland op 13 oktober 2010.

Klik hier voor een foto-impressie van dit seminar.

 


Voor meer informatie over deze seminarreeks of de MCD opleiding kunt u contact opnemen met het opleidingssecretariaat via telefoonnummer 010-4082567 of per e-mail via mastercitydeveloper@ese.eur.nl.